arrow_drop_up arrow_drop_down

Autisme: vormen en soorten

Verschillende soorten autisme, of juist allemaal hetzelfde?

Autisme is een lastige diagnose. Zeker als je meerekent dat de definitie nogal eens verandert. Autistisch gedrag werd in 1943 voor het eerst benoemd door Leo Kanner, maar het bleef onduidelijk wat het nou precies inhield. Welke soorten autisme zijn er eigenlijk, en zijn dat eigenlijk wel écht verschillende soorten?

Veel mensen die nu een diagnose op het autisme-spectrum hebben, zijn gediagnosticeerd met behulp van de criteria uit de DSM-IV. Hierin worden de volgende vormen van autisme beschreven: klassiek autisme, syndroom van Asperger, PDD-NOS. Deze typeringen zijn vooral tot stand gekomen door te kijken naar iemands gedrag, dus wat er aan de buitenkant te zien is.

Verschillende soorten autisme volgens de DSM-IV

Klassiek autisme

Kenmerkt zich door de volgende problemen:

  • Problemen in de sociale interactie en communicatie, zoals een voorkeur voor alleen zijn, lichaamstaal niet begrijpen, anderen niet aankijken en taal heel letterlijk interpreteren;
  • Herhalend gedrag, waaronder vaste routines en rituelen, maar ook gedragingen als flapperen met de handen;
  • Beperkte interessegebieden.

In sommige gevallen is er ook sprake van een taalachterstand.

Syndroom van Asperger

Lijkt op klassiek autisme, maar met het verschil dat de taalontwikkeling vaak juist heel goed is, en er vaak sprake is van hoge intelligentie en diepgaande kennis op het gebied van de beperkte interesses.

In verband met de omstreden geschiedenis rond Hans Asperger, vinden sommige autisten het niet fijn om zich met deze naam te identificeren.

PDD-NOS

De diagnose PDD-NOS betekent “Pervasive Developmental Disorder Not Otherwise Specified”, en werd vaak gegeven wanneer iemand wel duidelijk een aantal autistische kenmerken vertoont, maar eigenlijk niet genoeg om een diagnose “klassiek autisme” of “syndroom van asperger” te krijgen.

Let op: er zijn aandoeningen die lijken op autisme, omdat ze veel overeenkomsten hebben. Meisjes en vrouwen met autisme krijgen bijvoorbeeld heel vaak de misdiagnose ADD, ADHD, of borderline. Daarnaast kan bijvoorbeeld een traumatische ervaring óók gedrag veroorzaken war er aan de buitenkant uitziet als autisme, maar dus een compleet andere oorzaak heeft. Het is de taak van de psychiatrisch hulpverlener om dit soort zaken goed uit te pluizen en niet het eerste het beste etiketje op te plakken.

DSM-5: Autismespectrumstoornis

Met de komst van de DSM-5 wordt dat allemaal onder één parapluterm “autismespectrumstoornis” (ASS) genoemd. Sommigen vinden dat een goede ontwikkeling, omdat de wetenschappelijke onderbouwing voor de onderverdeling op sommige punten nogal te wensen over laat. Anderen zijn hier helemaal niet blij mee: dit heeft te maken met de grote verschillen die er zijn tussen autisten onderling.

Tegenwoordig is er steeds meer onderzoek naar waar al die autistische kenmerken vandaan komen. Er wordt niet alleen gekeken naar gedrag, wat er aan de buitenkant te zien is, maar ook naar waar dat gedrag vandaan komt, wat er gebeurt in de hersenen van autisten. Het opnemen van prikkelgevoeligheid in de diagnosecriteria in de DSM-5 is hier een mooi begin van.

Wat kun je doen als je vermoed dat je kind autisme heeft?

Als je vermoed dat je kind autisme heeft, of als hij het op latere leeftijd zelf vermoed, dan is een diagnose heel belangrijk. Misschien denk je “ik wil niet dat mijn kind een etiketje krijgt”, maar met dat etiketje wordt een enorme hoeveelheid zelfkennis, hulp en begeleiding aangereikt.

De makkelijkste manier is om het met de huisarts te bespreken. Die kan je doorverwijzen naar de GGZ of een aangesloten instelling voor een diagnose. Deze diagnose bestaat uit een serie gesprekken en het observeren van het gedrag. Daarna wordt er advies gegeven over een eventueel behandeltraject, bijvoorbeeld psycho-educatie, begeleiding, coaching of medicatie.

Hoogfunctionerend en laagfunctionerend autisme

Klassiek autisme en het syndroom van Asperger worden soms ook wel verdeeld in “laagfunctionerend” en “hoogfunctionerend” autisme. Ook rond deze aanduidingen is een hoop discussie. Op het eerste gezicht lijkt het heel duidelijk aan te geven hoe een autist voor de buitenwereld in de maatschappij lijkt te functioneren.

Aan de andere kant heeft dit onderscheid twee grote tekortkomingen, omdat het puur gebaseerd is op hoe goed iemand zich verbaal kan uitdrukken en zijn autisme kan maskeren. Ten eerste impliceert het dat mensen met klassiek autisme geen sterke kanten en talenten hebben, waardoor ze vaak niet de kans krijgen om die te ontwikkelen. Ten tweede bagatelliseert het de moeilijkheden waar aspies tegenaan lopen, waardoor ze niet de hulp krijgen die ze zo hard nodig hebben.

Enorme diversiteit

Kortom: er is zo’n enorme diversiteit te zien in het autismespectrum, dat het eigenlijk niet eerlijk (en niet handig) is om alle autisten over één kam te scheren. Omdat er zo’n verscheidenheid is aan verschijningsvormen en symptomen, is het moeilijk om gericht onderzoek te doen. Dit betekent ook dat er een groot scala aan geïndividualiseerde oplossingen nodig is om alle autisten de ondersteuning te bieden die ze nodig hebben.

Reactie plaatsen

Cookies aanzetten voor: